Modernisme, postmodernisme en het bijbelse christendom

Geachte lezer, bezoeker van onze website,
U vindt bij ons op Boeken (digitaal) een zeer goed boek terug van onze broeder Ary Geelhoed, getiteld “Wat is er aan de hand in de evangelische wereld?
Vandaag brengen we de appendix A bij dit boek graag nog even extra onder uw aandacht.

HET BELANG VAN DEZE APPENDIX

In de eerste plaats is het van belang om het postmodernisme en het modernisme te doorzien omdat het postmodernisme op dit moment de dominante stroming in de cultuur is. Maar er is nog een belangrijke tweede reden. In een aantal van de voorgaande hoofdstukken is besproken dat de conservative evangelicals de neo-evangelicals verwijten dat ze de leer over b.v. de bijbel hebben aangepast aan het postmodernisme. Zie onder meer hoofdstuk 2 over de doorzichtigheid van de bijbel. De neo-evangelicals hebben de neiging om allerlei postmoderne analyses over te nemen waardoor onder meer de doorzichtigheid van de bijbel wordt ondermijnd.
Andersom beschuldigen de neo-evangelicals de traditionele evangelicals en de orthodox reformatorische christenen van aanpassing aan het modernisme. Zij beweren b.v. dat de traditionele evangelische leer over de onfeilbaarheid (de inerrancy) van de bijbel gebaseerd is op het verlichtingsdenken. Zie Ouweneel, die zegt dat de idee dat de bijbel factueel onfeilbaar en woordelijk foutloos zou zijn gebaseerd is op sciëntisme. Daarom pleit hij ook voor het zuiveren van de Schriftleer van rationalisme.
In deze appendix wordt ingegaan op de wederzijdse beschuldigingen. Maar voor dat gedaan kan worden moet eerst vastgesteld worden wat modernisme en postmodernisme inhouden.

WAT IS MODERNISME?

In de zeventiende eeuw is de filosofische beweging van de Verlichting ontstaan. Over het algemeen wordt dit gezien als de start van het modernisme.
Wat was het kenmerkende van de Verlichting?

De mens verklaart zichzelf autonoom

De mens verklaart zichzelf autonoom. Startend met zichzelf gaat hij nu zelf, al waarnemend en redenerend, uitzoeken hoe de wereld en het bestaan in elkaar zit.

Openbaring wordt verworpen, een redelijke godsdienst

Alles wat de mens, uitgaande van zijn eigen waarneming en redenering, niet redelijk (en overtuigend) vindt wordt afgewezen. Uit het christendom houdt men alleen over wat men, vanuit het eigen gesloten wereldbeeld (zie a.2.4) gezien, voor mogelijk houdt. Al het bovennatuurlijke wordt verworpen.

Sciëntisme

De Verlichting wordt gekenmerkt door sciëntisme.
In het algemeen wordt onder sciëntisme verstaan de wijsgerige visie die van de beoefening der (positivistisch opgevatte) wetenschap de oplossing van alle problemen en alle mysteries verwacht.
Het is de overtuiging dat de wetenschap, met haar gebruik van de wetenschappelijk methode, een verklaring voor al wat is kan geven. En de overtuiging dat de opinies/bevindingen van de wetenschap beslissend zijn. De wetenschap als hoogste autoriteit. (Voor de duidelijkheid wil ik er op wijzen dat Ouweneel, in zijn geschriften, een afwijkende definitie van sciëntisme hanteert).

Een gesloten wereldbeeld

Onder invloed van de successen van de natuurkunde gaat men de wereld zien als een machine. (Het materialisme komt op, men ziet alles wat er gebeurt als het resultaat van “natuurlijke” factoren alles is gedertimineerd). Het wereldbeeld wordt gemechaniseerd, alles wordt bepaald door natuurlijke factoren Nederlandse Protestanten die de hand van God zagen in de vernietiging van de spaanse Armada worden als belachelijk en zeer naïef voorgesteld. Dat die Armada verslagen is komt alleen door natuurlijke oorzaken. Dat heeft niets met ingrijpen of besturing van God te maken. Wonderen kunnen niet plaatshebben.
Voor openbaring, wonderen, etc is geen plaats.

Groot vertrouwen in eigen waarneming en redeneervermogen

Een belangrijk onderdeel van de filosofie is de kennistheorie of de epistemologie. Het gaat in de kennistheorie om de vraag hoe de mens tot kennis komt en ook om de vraag hoe betrouwbaar die kennis dan is. Het gaat om de vragen: “How we know and how we know we know”.
In het Verlichtingsdenken erkent men wel dat de mens kennis verwerft door waarneming en door redenering/nadenken. De derde mogelijkheid dat de mens kennis verkrijgt door openbaring werd a-priori afgewezen.
De bovengenoemde drie wegen om tot kennis te komen zitten b.v. in de volgende bijbeltekst: “Maar gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord (kennis door waarneming) en wat in geen hart is opgekomen (kennis door redenering en intuïtie), al wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben. Want ons heeft God het geopenbaard (kennis door openbaring)” (1 Kor 2:9,10).
Men had dus een groot vertrouwen in zowel de waarneming als in het redeneren (in de ratio/in het discursieve denken).

Men geloofde in objectieve kennis

De verlichtingsmens ging er van uit dat de, door waarneming/redenering verkregen kennis, objectief (voor iedereen geldig) was. Je kon elkaar daarom op de feiten aanspreken. Er was een gemeenschappelijk uitgangspunt doordat ieder dezelfde feiten erkende.

Een zekere naïviteit

Men ging uit van de vooronderstelling dat waarneming en redenering betrouwbaar zijn terwijl men daar eigenlijk geen goede theoretische verantwoording voor kon geven. Die vooronderstellingen werden meestal als vanzelfsprekend geacht (selfevident truths). Het optimistische geloof in de betrouwbaarheid van onze, door waarneming en door redenering verkregen, kennis hing daarom in de lucht. Dit is filosofisch gezien de achilleshiel van het Verlichtingsdenken gebleken.

Innerlijke spanningen binnen het verlichtingsdenken

Hierboven zijn de zaken eigenlijk iets te simpel voorgesteld want vanaf het begin had je binnen het kamp van de verlichting twee stromingen die in bepaalde opzichten tegenover elkander stonden. De ene stroming stelde dat alle echte kennis door waarneming ontstaat (dit wordt het empiricisme en het positivisme genoemd) en de andere stroming stelde dat echte/betrouwbare kennis alleen door denken bereikbaar is. (Dit is de richting van het rationalisme). Binnen de kringen van de verlichting werd een scherpe discussie tussen rationalisten en empirici gevoerd. B.v. de rationalist Descartes vond de waarneming helemaal niet betrouwbaar.
Aan deze innerlijke twist is de Verlichting ook bezweken. Binnen de Verlichting waren er dus mensen die wel in de waarneming maar niet in het verstand (als weg tot kennis) geloofden. En andersom waren er mensen die wel in het verstand maar niet in de waarneming geloofden. Zolang men ofwel in dit kamp ofwel in het andere kamp stond was er nog geen probleem. Dan geloofde men nog steeds in de mogelijkheid van zekere kennis. Het probleem begint natuurlijk als er mensen komen die niet meer in de waarneming en in het verstand geloven. Het probleem kwam aan de oppervlakte toen mensen begonnen in te zien dat voor beide wegen tot kennis geen absoluut zekere theoretische verantwoording is te geven. Althans de meerderheid van de mensen vond de voorgestelde oplossingen (b.v. de commonsense filosofie in allerlei variaties) niet overtuigend.
Dit is, zoals gezegd, de achilleshiel van de Verlichting. In de Verlichting ging men er zonder theoretische verantwoording vanuit dat waarneming en/of redenering betrouwbaar zijn en daarom tot zekere kennis leiden. Toen men in de loop der tijd vraagtekens ging zetten bij die vooronderstellingen bleken die voor de autonome mens niet overtuigend te onderbouwen.
Binnen de kringen van de Verlichting, met als voornaamste kenmerk de autonomie van de mens, zijn er diverse synthese pogingen gedaan tussen empiricisme en rationalisme. Onder meer het kriticisme van Emanuel Kant en aan het begin van deze eeuw het logisch-positivisme zijn twee van zulke pogingen.

Nog andere vooronderstellingen van de Verlichting

Men ging naast de hierboven genoemde vooronderstellingen ook nog uit van de volgende vooronderstellingen:
– Er is een objectieve werkelijkheid buiten ons zelf.
– Die werkelijkheid kunnen we kennen.
– Als we de werkelijkheid kennen dan kennen we de waarheid.
Als we een stuk van de werkelijkheid kennen dan kennen we een stuk van de waarheid.
– Een bewering is waar als deze overeenkomt met de werkelijkheid. Dit wordt wel het correspondentie waarheidsbegrip genoemd of ook wel propositional truth.
– Met taal kun je de werkelijkheid beschrijven.

Het waarheidsbegrip van de Verlichting

Men definieert in de Verlichting waarheid als volgt: Een uitspraak is waar als deze overeenkomt met de werkelijkheid.
De uitspraken: Piet is mijn broer, ik hou van chocolade, de aarde is rond, Jezus is opgestaan, wie gelooft heeft eeuwig leven, zijn allemaal beweringen die waar zijn omdat ze overeenkomen met de werkelijkheid. In technische/filosofische termen noemt men dit het correspondentie waarheidsbegrip: Een uitspraak is waar als deze overeenkomt (dat wil zeggen correspondeert) met de werkelijkheid.
Waarheid volgens het correspondentie waarheidsbegrip wordt ook wel aangeduid met de term: “propositional truth”. Een propositie is een bewering die al of niet waar kan zijn. De hierboven genoemde voorbeelden zoals: ik hou van chocolade, Piet is mijn broer, Jezus is opgestaan, de aarde is rond, wie gelooft heeft eeuwig leven, kunnen waar of niet waar zijn. Propositional truth is dan waarheid die in proposities/in beweringen is uitgedrukt.
De term propositional truth en het correspondentie waarheidsbegrip sluiten precies aan bij het dagelijkse gebruik van het woord waar/waarheid.
Overigens is deze definitie niet bedacht door de voormannen van de Verlichting. Thomas van Aquino had dit b.v. al zo geformuleerd.

Optimisme, vooruitgangsgeloof, het mensbeeld

Men had in de verlichting over het algemeen een rooskleurige visie op de mens. Vaak ging men er vanuit dat de mens in wezen goed is. Men veronderstelde dat door de ontwikkeling van techniek, wetenschap en onderwijs de wereld steeds beter zou worden.

Het streven naar beheersing

Men streefde er naar de natuur te beheersen door middel van de techniek.

Geloof in grote verhalen

De filosofen uit die tijd waren systeembouwers die er naar streefden om een volledige wereldverklaring te produceren. (Een volledige verklaring van het zijn, de kennis, de moraal, God, de mens, etc). En die wereldverklaring werd dan ook gepresenteerd als de enige juiste beschrijving van de werkelijkheid. (Men geloofde immers in absolute waarheid).
Neem b.v. de filosofie van het communisme. Dat was een totale wereldverklaring: God bestaat niet. De bovenbouw (godsdienst, moraal, cultuur) wordt bepaald door de onderbouw (de economie). Alles is materie. De geschiedenis verloopt in een dialectische beweging. Wat gebeurt is noodwendig. De geschiedenis loopt uit op de klassenloze maatschappij. Enzovoorts.

WAT IS POSTMODERNISME?

Postmodernisme wil zeggen: datgene wat na het modernisme komt. Vandaar het woord post.

De ineenstorting van het modernisme

Men ging nadenken over de vooronderstellingen van het modernisme en men kwam meer en meer tot de conclusie dat die vooronderstellingen in de lucht hingen.
Is er wel een objectieve werkelijkheid? En als die er is kunnen we deze dan kennen zoals die werkelijk is? Kun je met taal de werkelijkheid wel beschrijven? Is onze waarneming wel objectief? Zijn de denkwetten, waar het westerse denken vanuit gaat wel algemeen geldend?
Zowel het vertrouwen in de objectieve waarneming als in de algemeen geldigheid van het menselijk oordeels/redeneervermogen heeft de postmoderne mens verloren.

Afwijzing van het funderingsdenken

Het gevolg van de twijfel aan de vooronderstellingen van het modernisme is dat de mens voor zijn kennis geen fundament meer heeft. Er is dan geen objectieve kennis mogelijk. Niemand kan meer zeggen “zo is het, zo moet het”.
Het modernisme wordt verachtelijk als “funderingsdenken” van de hand gewezen.
De ergste filosofische zonde die je tegenwoordig kan begaan is te veronderstellen dat er toch een basis voor objectieve kennis zou bestaan. Men is, zo stelt men, het door en door naïeve funderingsdenken van de Verlichting te boven gekomen.

De val van het correspondentie-waarheidsbegrip

Met de val van het modernisme is ook het klassieke correspondentie waarheidsbegrip meegesleurd.
Waarheid als overeenkomst van een uitspraak met de werkelijkheid kan niet meer. Omdat, zo stelt men, dit waarheidsbegrip rust op vooronderstellingen die niet houdbaar zijn gebleken.
Immers wat is de werkelijkheid? We nemen wel wat waar maar dat zijn slechts zintuiglijke waarnemingen die verwerkt worden door ons verstand. Is er werkelijk iets buiten ons waar die zintuigen op reageren of zit, wat wij de werkelijkheid noemen, alleen in ons hoofd (het solipsisme). En als wij al aannemen dat er een werkelijkheid buiten ons bestaat, op welke gronden nemen wij dat dan aan? En, gesteld dat wij er van uit mogen gaan dat er een werkelijkheid buiten ons zelf bestaat, geeft dan, datgene wat wij waarnemen met onze zintuigen, de werkelijkheid ook weer zoals die in zichzelf is. Met ander woorden kennen wij het “Ding an sich”.
Dit zijn nog alleen maar de problemen die het woord werkelijkheid in de klassieke definitie van waarheid met zich mee brengt. Een ander moeilijkheid is het probleem van de taal. De postmoderne mens twijfelt eraan of je met taal de werkelijkheid wel objectief (voor ieder geldig en voor ieder begrijpelijk) kan weergeven. En dat is nu precies een vooronderstelling waar het correspondentie waarheidbegrip (de klassieke visie op waarheid) vanuit gaat.
Een bewering is gesteld in menselijke taal. De vraag is dus of je met taal de werkelijkheid kunt beschrijven. De postmoderne filosofen ontkennen dit. Men vindt de taal, en zeker de geschreven taal, daarvoor veel te dubbelzinnig en daardoor te onnauwkeurig.
In plaats van het klassieke waarheidsbegrip voert men een relatief waarheidsbegrip in b.v. het pragmatisch waarheidsbegrip. Iets is waar als het werkt. In de wetenschap heet dat instrumentalisme . Of het waarheidsbegrip wordt geïndividualiseerd. Dit is nauw verbonden aan de pragmatische waarheidsvisie. Je hebt niet meer de waarheid, je hebt alleen nog maar jouw en mijn waarheid. Of men zoekt waarheid niet meer in kennis maar in de ervaring. (het existentialisme). Waarheid is volgens hen niet rationeel onder woorden te brengen maar waarheid is wel te ervaren. We kunnen waarheidsmomenten beleven.

Het einde van de grote verhalen

Het postmoderne verlies van het vertrouwen dat de mens de werkelijkheid kan kennen en beschrijven zoals deze is maakt dat de postmoderne mens het geloof in absolute, voor ieder geldige en te controleren waarheid heeft verloren. Daarmee is de postmoderne mens ook het geloof in de grote verhalen (in de grote wereldbeschouwingen) zoals vb. het Marxisme of het christendom kwijtgeraakt.
Men is verder door de ervaringen van deze eeuw (wereldoorlogen, ontsporing van de techniek in b.v. milieuvervuiling, etc) het optimistische geloof in vooruitgang en in de beheersbaarheid van de wereld kwijt geraakt. Sommigen zijn ook het geloof in de goedheid van de mens kwijt geraakt.
Tussen haakjes, men beweert dat men de grote verhalen afwijst, maar in feite is het postmodernisme zelf ook weer een groot verhaal. Het postmodernisme is ook een wereldbeschouwing zij het een negatieve.

Taalspelen en de ambiguïteit van taal

Het postmodernisme heeft een andere kijk op taal als het modernisme.
In het modernisme hangt men in het algemeen de afbeeldingstheorie als taaltheorieën aan. Dat betekent dat een woord (een begrip) als het ware een etiketje is wat op een bepaald fenomeen uit de werkelijkheid wordt geplakt. Een woord heeft dus een vaste betekenis want het wijst naar een vast iets uit de werkelijkheid. Op grond hiervan stelt de afbeeldingtheorie dat met woorden de werkelijkheid kan worden afgebeeld en beschreven. Dit sluit dus aan bij het hierboven genoemde correspondentie waarheidsbegrip.
Deze beeldtheorie is tegenwoordig, door de postmoderne filosofen, losgelaten. Men stelt dat de betekenis van woorden niet statisch is. Een woord is niet het etiket van een vast fenomeen in de werkelijkheid. Men stelt dat de betekenis van een woord niet wordt bepaald door datgene wat het zou afbeelden. De betekenis van een woord wordt bepaald door het taalspel, door de context waarin het woord wordt gebruikt. Een taal is, in deze visie, een samenhangend geheel van klanken die in een bepaalde situatie worden gebruikt en die daar functioneert als middel van communicatie Er bestaan allerlei van zulke taalspelen. Het taalspel bepaalt de functie van een woord.
Extreme postmoderne taaltheoretici en filosofen zeggen daarom dat er geen relatie is tussen taal en werkelijkheid. Daarom en omdat men taal te dubbelzinnig vindt (dat is de veronderstelde ambiguïteit van taal) stelt men dat met taal niet op objectieve wijze de werkelijkheid te beschrijven is.
Dit heeft natuurlijk grote consequenties voor het verstaan van de bijbel.

Het beeld van de ideologische eilanden

Men stelt dat er geen bruggen (geen gemeenschappelijke grond) bestaan tussen de verschillende taalspelen. Je kunt alleen door een sprong van het ene taalspel in het andere komen. Dit is onder meer het gevolg van de vooronderstelling dat taal niet verwijst naar de voor ieder geldende werkelijkheid. Een beroep op de werkelijkheid die voor jou en voor de ander geldig is (een beroep op de feiten) kan dan ook niet meer.

Er is niets nieuws onder de zon

Het postmodernisme is niets anders dan een nieuwe verschijningsvorm van het aloude scepticisme.
Het scepticisme is een filosofische stroming die stelt dat zekere kennis niet te verkrijgen is. Ook de sceptici verwierpen waarheid als overeenkomst met de werkelijkheid. Ook zij betwijfelden dat men door denken en waarnemen tot zekere, ware, betrouwbare kennis van de werkelijkheid zou kunnen komen. Neem de stadhouder Pontius Pilatus. Pilatus was zeer waarschijnlijk, zoals zoveel vooraanstaande Romeinen uit die tijd, een aanhanger van het scepticisme. Toen Jezus tegenover hem getuigde dat Hij (Jezus) was gekomen om van de waarheid te getuigen reageerde Pilatus met de opmerking: “Wat is waarheid?” (Johannes 18:38). Zo probeerde Pilatus zich te onttrekken aan de waarheidsclaim van de Here Jezus. Dit gesprek kun je zo overzetten naar de tegenwoordige postmoderne tijd. Hier botsten twee visies op waarheid met elkaar. Jezus ging er blijkbaar vanuit dat er zoiets als de waarheid bestaat. Pilatus twijfelde daaraan. Hij was daar sceptisch over.

Geen doel, geen zin, geen goed en kwaad, geen idealen

Als er geen absolute waarheid is dan is er ook geen doel, geen zin, geen moraal. Het gevolg is de ontbinding van de maatschappij. Men vervalt in pure lustbevrediging en egoïsme.

De wending naar het gevoel

Omdat men er van overtuigd is dat via het rationele denken en via de waarneming geen zin te vinden is probeert men die zin via de intuïtie en via transcendente/mystieke ervaringen te vinden. Hierin zien we trouwens een herhaling van de Romantiek. In de Romantiek zien we dezelfde toewending naar gevoel, intuïtie, het mysterie, in reactie op de Verlichting met zijn nadruk op de rede.

Met de val van het modernisme verdwijnt ook het mechanische wereldbeeld

Dit leidt tot een nieuwe openheid voor het bovennatuurlijke.
Ook in de Romantiek zien we een soortgelijke invasie van occultisme zoals wij die beleven.

VERSCHILLEN EN OVEREENKOMSTEN TUSSEN MODERNISME EN POSTMODERNISME

Het belangrijkste verschil

Men denkt verschillend over de mogelijkheid van zekere kennis. Het modernisme gaat er vanuit dat zekere kennis mogelijk is en het postmodernisme ontkent dit.

De belangrijkste overeenkomst

Het fundamentele punt van overeenkomst is dat zowel modernisme als postmodernisme uitgaan van de autonomie van de mens. De mens is nog steeds de maat van alle dingen. Openbaring wordt a-priori afgewezen. Het is wel zo dat velen vanuit het postmodernisme verzeild zijn geraakt in het new age denken waar men weer wel openstaat voor het bovennatuurlijke en waar men wel “openbaring” erkent.

GEZAG IN MODERNISME, POSTMODERNISME EN BIJBELS CHRISTENDOM

De bijbel wijst de idee van de menselijke autonomie af. Tot ieder mens komt openbaring, of hij dat nu al of niet erkent of onderkent (Rom. 1:21-22). Ieders houding is al beïnvloed door de eigen bewuste of onbewuste reactie op de aan ieder door God gegeven openbaring.
De bijbel wijst dus de, voor zowel het modernisme als het postmodernisme kenmerkende, idee van de autonomie af. De bijbel stelt dat de mens niet autonoom maar heteronoom is. De mens staat onder het gezag, onder de wet, van God.
In de praktijk betekent dit, ten aanzien van de kwestie van het hoogste gezag, de beslissende autoriteit, dat de christen zich daarvoor wendt naar de bijbel en dat de autonome modernistische mens zich daarvoor wendt naar zijn eigen denken (naar de wetenschap) en dat de postmoderne mens zich daarvoor wendt naar zijn gevoel.
De moderne mens vraagt: “Wat denk jij daarvan?”. En dan volgen er rationele argumenten en observaties. De postmoderne mens vraagt: “Hoe voel jij dat aan?”. En dan volgt er een niet beargumenteerde impressie of beleving. Een postmodern mens ‘volgt zijn gevoel’. De bijbelse christen vraagt: “Wat zegt de bijbel daarover, wat zegt het Woord van God daarover?”. Dit behoort het automatisme, de reflex, van elke bijbelgetrouwe christen te zijn. De postmoderne christen doet dat laatste eigenlijk nauwelijks meer want hij is er van overtuigd dat het stellen van de vraag: “Wat zegt de bijbel daarover” slechts leidt tot allerlei tegenovergestelde opinies waar men toch niet uitkomt (Het ontkennen van de doorzichtigheid van de bijbel).

EEN TOETSING VAN ENKELE ASPECTEN VAN HET MODERNISME EN POSTMODERNISME AAN DE BIJBEL

De bijbel wijst menselijke autonomie af

De bijbel wijst de autonomie van de mens af. Hiermee wijst de bijbel het gezamenlijke uitgangspunt van modernisme en postmodernisme af.
God heeft de geschreven openbaring in de bijbel gegeven en daar moeten we rekening mee houden. Dat heeft het hoogste gezag en het laatste woord.

Waarneming is in essentie betrouwbaar

God heeft de mens met zijn zintuigen en verstand afgestemd op de schepping. De mens kan daarom de wereld kennen zoals deze is. Het modernisme heeft op dit punt meer grond in de bijbel dan het postmodernisme.

De rationaliteit is in essentie betrouwbaar

De denkwetten zijn universeel en zijn door God in de schepping gelegd. De denkwetten zijn een afspiegeling van Gods eigen rationaliteit. God heeft zich in de bijbel geopenbaard als een rationele God.
Het vertrouwen dat het modernisme had in het verstand, in het logisch denken is dus ten dele gerechtvaardigd.
Rationalisme wordt in de bijbel afgewezen maar rationaliteit niet. Met rationalisme bedoel ik hier de filosofische stroming die uitgaande van de autonomie van de mens met behulp van de ratio (het denken) de wereld tracht te verklaren. Onder rationaliteit versta ik het gebruik van het verstand om dingen te begrijpen, om conclusies te trekken, om te analyseren en synthetiseren.
We moeten bij het begrijpen en toepassen van de bijbel ons verstand gebruiken. Ons verstand functioneert daarbij volgens de normale wetten van het denken. Het verstand moet wel door Gods Geest verlicht worden willen we de geestelijke waarheden kunnen begrijpen. “Toen opende Hij hun verstand zodat zij de Schrift begrepen” (Luc. 24:45).
Zie verder hoe b.v. Jezus in de toepassing en uitleg van de Schrift, van het Oude Testament, gebruik maakte van logica.
In de bijbel is soms sprake van geestelijke verblinding. Verblinding ligt niet zozeer aan het verstand dat niet goed zou werken. Verblinding is veeleer het gevolg van een boos hart dat niet wil weten. Een boos hart dat verdringt, dat de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdt (Rom. 1:18). Verblinding kan ook het gevolg van een occulte binding zijn of een oordeel van God.

Waarheid volgens de bijbel

Uit woordstudie van de bijbelse begrippen waar en waarheid blijkt dat het bijbelse waarheidsbegrip de idee van correspondentie omsluit. Waarheid is volgens de bijbel overeenkomst (correspondentie) met de werkelijkheid. Het bijbelse waarheidsbegrip is wel meer omvattend. Waar heeft in de bijbel ook de betekenis van echt (het echte tegenover het onechte / b.v. Jezus is de ware wijnstok) en betrouwbaar maar het omvat zeker ook de idee van correspondentie.
Het is mogelijk vele tientallen teksten aan te halen die duidelijk laten zien dat waarheid als correspondentie een bijbelse gedachte is. Zo bijvoorbeeld: Titus 1:12,13 “Iemand uit hun eigen kring, hun eigen profeet heeft gezegd: Leugenaars zijn de Cretenzen altijd, beesten, vadsige buiken”. Dit getuigenis is waar (alethes).” Hun eigen profeet heeft dit gezegd over het karakter van de Cretenzen. En Paulus zegt: “Dit getuigenis is waar”. Met andere woorden dit getuigenis correspondeert (komt overeen) met de werkelijkheid. Het klopt wat die profeet heeft gezegd. Die uitspraak, die bewering is waar, betrouwbaar, het is vast, het is amen. Of neem Marcus 5:33 “De vrouw nu, bevreesd en bevende, wetende wat haar geschied was, kwam en wierp zich neder en zeide hem de volle waarheid (aletheian)”. Deze vrouw vertelde Jezus wat ze gedaan had, wat er met haar aan de hand was, wat er met haar was gebeurd. Ze vertelde Jezus de werkelijke gang van zaken. Ze vertelde hem de waarheid. Haar woorden, wat ze Jezus vertelde, correspondeerden met de werkelijkheid. Zie Handelingen 21:24 “dan zullen allen bemerken dat van alles wat men van u vertelt niets (waar) is”. Dan zullen ze bemerken dat alle laster die over Paulus werd verteld niet correspondeert, niet overeenkomt met de werkelijkheid. Of zie Johannes 16:7 “Ik zeg u de waarheid (aletheian) het is beter voor u dat Ik heenga want indien Ik niet heenga kan de Trooster niet tot u komen”. Jezus verzekert de discipelen dat Hij de waarheid spreekt als Hij vertelt dat het beter voor hen is dat Hij heengaat. Hij zegt: deze uitspraak van mij, waarin Ik beweer dat het beter voor jullie is dat Ik heenga, correspondeert, komt overeen met de werkelijkheid. Het is echt zo. Het klopt. Het is waar, vast, betrouwbaar, echt, amen wat ik hier zeg. Zie 2 Petrus 2:22 “hun is overkomen wat een waar spreekwoord zegt: Een hond die teruggekeerd is naar zijn uitbraaksel of een gewassen zeug naar de modder”. Petrus zegt dat dit spreekwoord “waar” is. Dat wil zeggen het correspondeert, komt overeen met de werkelijkheid.
Deze betekenis komt overeen met ons gebruik van het woord waarheid in het dagelijks spraakgebruik. In het dagelijks spraakgebruik is het woord veelal beperkt tot correspondentie. Het bijbelse gebruik is zoals gezegd echter ruimer. Je kunt volgens de bijbel b.v. ook in de waarheid wandelen en uit de waarheid zijn.
Het is fout om de verschillende nuances van het bijbelse begrip waarheid tegen elkaar uit te spelen. Het is niet of het een of het ander. Het is niet “of dit of dat” maar “en dit en dat”.
De neo-evangelicals, die beweren dat je een buitenbijbels (sciëntistisch) waarheidsbegrip in de bijbel inleest als je constateert dat waarheid in de bijbel correspondentie insluit, kennen blijkbaar hun bijbel op dit punt onvoldoende.
Het correspondentie waarheidsbegrip kan ook met een andere term aangegeven worden. In de Chicago Verklaringen spreekt men over “propositional truth”. Dat is waarheid die in proposities wordt uitgedrukt. Men stelt dat in de bijbel propositional truth staat.
Onder meer Francis Schaeffer heeft er sterk de nadruk op gelegd dat de bijbel propositional truth bevat.
In de bijbel wordt, naast andere dingen, allerlei informatie over de werkelijkheid (over God, de mens, de engelen, de verlossing, etc) doorgegeven. Die informatie (die ware kennis) is gegeven in de vorm van proposities. Een propositie is een bewering die al of niet waar kan zijn. De bijbel zegt b.v. dat Jezus opgewekt is. Dat is een bewering, een propositie. Het is een bewering die ofwel waar ofwel niet waar kan zijn. In dit geval is het een bewering waarvan wij weten dat die waar is. Die bewering correspondeert, komt overeen met de werkelijkheid want Jezus is immers werkelijk (waarlijk) opgestaan. De bewering “Jezus is opgestaan” is dus een voorbeeld van de propositional truth die in de bijbel staat. Allerlei andere bijbelse uitspraken hebben ditzelfde karakter b.v. de uitspraken: Jezus komt terug. Wie gelooft heeft eeuwig leven. Enzovoorts.
De bewering dat de bijbel propositional truth bevat betekent niet dat daarmee een wezensdefinitie (een uitputtende definitie) is gegeven van het bijbelse waarheidsbegrip. Het enige wat er mee bedoeld wordt is dat een aantal van de uitspraken, die in de bijbel staan, het karakter van ware proposities hebben. Niet de hele bijbel heeft dit propositionele karakter. Immers niet alles wat in de bijbel staat heeft de vorm van een propositie, een bewering. Er staan b.v. ook gebeden in en geboden om maar wat te noemen.
Het lijkt me moeilijk te ontkennen dat de bijbel propositional truth bevat. Toch doen de neo-evangelicals zoals Ouweneel dit. Men zegt dan dat de bijbel geen bundel is van ware proposities. Door dit te zeggen stelt men het zo voor dat het aanvaarden van de stelling dat de Bijbel propositional truth bevat automatisch leidt tot de gedachte dat de bijbel uitsluitend bestaat uit een verzameling losse beweringen, proposities over een aantal zaken. Dit is onzin. Er staan wel vele ware proposities (beweringen, uitspraken) in de bijbel maar die worden gedaan met het oog op het geestelijke doel van de bijbel, namelijk het wijs maken tot zaligheid en het volmaakt maken en het volkomen toerusten van de mens Gods (2 Tim. 3:15-17).
Bijzonder irritant is dat verschillende neo-evangelicals het begrip propositional truth telkens weer proberen te koppelen aan de filosofische stroming van het logisch-positivisme. In het logisch-positivisme gaat men inderdaad uit van proposities maar men wil alleen die proposities als waar aanvaarden die door de mensen persoonlijk zijn te verifiëren. Men wil alleen een bewering, een propositie als waar aanvaarden waarvan door empirisch logisch onderzoek vast te stellen is of die uitspraak overeenkomt met de werkelijkheid. Deze eis tot verificatie is echter helemaal niet noodzakelijkerwijs met propositional truth verbonden. De uitspraak “Wie gelooft heeft eeuwig leven” is b.v. een stukje propositional truth, die uitspraak heeft de vorm van een ware propositie. Toch onttrekt die uitspraak zich aan logisch, empirische verificatie.
De neo-evangelical Michael Green noemde, in een Tv-uitzending voor de EO, het correspondentie waarheidsbegrip (propositional truth) het fundamentalistische waarheidsbegrip.
Als we het modernistische en het postmodernistische waarheidsbegrip toetsen aan het bovenstaande dan moeten we concluderen dat het modernistische waarheidsbegrip in essentie overeen komt met het bijbelse waarheidsbegrip. Het is wel te mager want het bijbelse waarheidsbegrip omvat meer, maar de idee van waarheid als correspondentie is eenvoudig vanuit de bijbel aan te tonen.
Terwijl daarentegen allerlei vormen van het postmoderne waarheidsbegrip in strijd zijn met de bijbel. Het hierboven genoemde pragmatische en het individualistische waarheidsbegrip kunnen de toets aan de bijbel niet doorstaan. Een apart geval is het existentiële waarheidsbegrip. Waarheid is in die visie niet iets wat rationeel begrepen kan worden en het is ook niet iets wat onder woorden gebracht kan worden. Waarheid is iets wat ervaren wordt. Het gaat om waarheidsmomenten of waarheidsbelevingen. Ook dit waarheidsbegrip kan de toets aan de bijbel niet doorstaan.
Michael Green beriep zich bij zijn verwerping van het traditionele waarheidsbegrip op de tekst Johannes 14:6 waar Jezus van zichzelf zegt: “Ik ben de waarheid”. Zie je wel, zo beweert hij, de waarheid is persoonlijk. Het is een persoon. Dus de waarheid kan nooit bestaan uit allerlei proposities, uit allerlei beweringen die in de bijbel staan. Green neemt een moeilijk te exegetiseren tekst en geeft daar een bepaalde uitleg aan die hij niet bewijst of kan bewijzen. Hij negeert ook de hoofdregel voor de bijbeluitleg dat de bijbel zichzelf uitlegt en dat we tekst met tekst moeten vergelijken. Deze tekst kan niet uitwissen wat uit de vele hierboven aangehaalde teksten is gebleken.

Werkelijkheid

Het postmodernisme heeft niet de zekerheid dat er een objectieve werkelijkheid is. Het modernisme erkent wel dat er een objectieve werkelijkheid is. Op grond van de bijbel weten we dat er een door God geschapen werkelijkheid is. Ook hier staat het moderne standpunt weer dichter bij de waarheid.

Religieuze taal

Als christen is voor ons vooral de religieuze taal van belang. Dat wil zeggen de taal waarin over de dingen van God gesproken wordt. Oneerbiedig wordt dit wel “Godtalk” genoemd.

De analogia entis

De bijbel claimt informatie over God door te geven in menselijke taal. Eén van de fundamentele vragen over bijbelse taal en religieuze taal in het algemeen is de vraag of en hoe het mogelijk is om met immanente (binnenwereldse) woorden en beelden over de transcendente (de boven- of buitenwereldse) werkelijkheid iets zinnigs te zeggen. Kan met woorden, begrippen die ontleend zijn aan onze binnenwereldse werkelijkheid iets over God gezegd worden? En als er iets over God gezegd kan worden met binnenwreldse woorden, begrippen, geven die woorden dan werkelijke kennis, informatie over God door? Kunnen wij iets over God weten op grond van de verbale uitspraken die in de bijbel over God worden gedaan? Met andere woorden staat er propositional truth over b.v. God in de bijbel?
De orthodoxe gelovigen (protestanten, evangelicals) hebben altijd geloofd dat dit inderdaad het geval is. Daarbij wijzen ze op wat wel wordt genoemd de “analogia entis”. Het principe van de zijnsanalogie. Dat principe is voor het eerst geformuleerd door Thomas van Aquino. Het is niet nodig, en zelfs verkeerd, om het hele betoog van Thomas te aanvaarden om toch in te zien dat Thomas op een belangrijke bijbelse waarheid heeft gewezen. Er is inderdaad een bepaalde zijnsanalogie (een overeenkomst in zijn) tussen God en de mens.
God heeft de mens geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Er is dus een fundamentele overeenkomst (een zijnsanalogie) tussen God en de mens. De mens lijkt op God en in zekere zin lijkt God daarom ook op de mens, voor zover deze beelddrager van God is. Daarom is het mogelijk om over God te spreken in menselijke (antropomorfe) termen. Daarbij gaat het om meer dan een metafoor (beeldspraak). Er is een echte verwantschap, gelijkenis. Hiermee reduceert de bijbel (en de theologie) God niet tot het niveau van een geschapen iets: zij stelt alleen maar dat er een gelijkenis of overeenkomst is tussen God en de mens. Een geschapen iets kan op God lijken zonder daarmee identiek met Hem te zijn.
Neem de uitspraak: God is onze Vader. Hieruit begrijpen we dat God lijkt op een menselijke vader. Met andere woorden, God is analoog aan een (aardse) vader. In bepaalde opzichten lijkt God op een vader maar in andere niet. Bij een bijbelse analogie kunnen we de punten van overeenkomst en verschil ontdekken door onderzoek van andere bijbelgedeelten die licht werpen op die analogie (Schrift met Schrift vergelijken / de Schrift verklaart zichzelf). Als we dat in dit geval doen dan blijkt dat b.v. het vaderschap van God zich uit in of bestaat uit onder meer Zijn zorg (Hij zorgt als een vader voor ons), Zijn tucht (Hij tuchtigt, corrigeert als een vader), Zijn ontferming (hij ontfermt zich gelijk een vader). Een aardse vader is de oorsprong van ons bestaan, zo heeft God ons geschapen en doen wedergeboren worden. Enzovoorts. Als je al deze dingen bij elkaar neemt dan benadert God het beeld van een aardse vader zeer dicht. Zij het dat die twee beelden niet volledig samenvallen. Er zijn ook punten van verschil. God is bijvoorbeeld geen mens. Ook verwijst de noodzaak van een menselijke moeder niet naar de noodzaak van een goddelijke moeder.
De goddelijke zelfopenbaring in de bijbel maakt gebruik van beelden en begrippen, woorden die genomen zijn uit ons dagelijkse leven, maar toch wordt God daardoor niet beperkt tot dat niveau. Als we zeggen “God is onze Vader” bedoelen we niet dat God een gewoon menselijke vader is. We gebruiken in navolging van de bijbel woorden uit onze eigen wereld om iets te beschrijven wat er uiteindelijk buiten ligt. Op grond van het op analoge wijze spreken van de bijbel weten we dat de bijbel ons werkelijke informatie over God geeft. De bijbel bevat ware informatie over God. Er kan uit de bijbel iets van God gekend worden. Als de bijbel b.v. zegt dat God naijverig is dan zegt dat iets over hoe God is (over zijn karakter). Als mensen kunnen we ware en werkelijke kennis over God uit de bijbel halen. Als de bijbel God vader noemt dan zegt dat iets over zijn relatie met ons maar het zegt ook iets over het karakter, het wezen, van God. (Die ontferming, vaderlijke liefde komen uit God voort / zo is God).
Natuurlijk moet Gods Geest de informatie die de bijbel over God geeft wel levend maken (ons verstand openen / de innerlijke ogen van ons hart openen). Zonder de hulp van Gods Geest kunnen wij die informatie over God niet recht verstaan.

Verwerping van de analogia entis

De grote kloof tussen de neo-orthodoxie en de orthodoxie ligt in dit punt. Het fundamentele uitgangspunt van Karl Barth (de vader van de neo-orthodoxie) richt zich juist tegen deze “analogia entis”. Karl Barth ging uit van ‘het oneindige kwalitatieve verschil tussen God en de mens’. Tussen Schepper en schepsel is geen enkele gelijkenis. Er kan daarom geen sprake zijn van een analogia entis tussen God en de mens. Dit heeft als gevolg dat in binnenwereldse menselijke woorden geen ware (met de werkelijkheid overeenstemmende) informatie over God kan worden weer- en doorgegeven. Er is dus volgens hem geen kennis van God mogelijk in de zin dat we die kennis onder woorden kunnen brengen. Er is wel kennis van God (openbaring van God) mogelijk maar die is “bovenrationeel”. Die kennis is niet in logische concepten (niet in menselijke woorden) te vatten. Ja zelfs niet te benaderen. God kan daarom volgens Barth ook geen object van menselijk onderzoek zijn (of dat onderzoek nu wetenschappelijk is of anderszins).
De in taal gestelde boodschap van de Bijbel is, in deze visie, slechts een gebrekkige menselijke poging om het ongrijpbare te grijpen. De inhoud van de bijbel verwijst wel naar God en kan echte, maar wel bovenconceptuele, kennis van God bemiddelen, als de Geest het behaagt, maar de tekst van de bijbel bevat geen enkele ware informatie (propositional truth) over God. De echte (diepste / religieuze?) waarheid is volgens hem dynamisch en niet statisch. De waarheid kan vanwege haar dynamisch karakter niet gevat worden in de woorden van de bijbel en zeker niet in het dogma. In de ontmoeting met, in de ervaring van, in de aanraking van God kunnen we bovenrationele waarheidsmomenten beleven.
Alle waarheid ligt in de beleving van de “Ik-gij” relatie. Vandaar dat men wel spreekt over ‘ontmoetingstheologie’.
Ieder die de bijbelse grondgedachte van de analogia entis (de overeenkomst in zijn tussen God en de mens) verwerpt komt onvermijdelijk terecht in de mystiek.
Alle mystiek gaat uit van het platoonse wereldbeeld.
Volgens Plato is er een eeuwige bovenzintuiglijke wereld van de ideeën en een wereld van de zintuiglijk waarneembare verschijnselen. In de ideeën wereld heb je b.v. de idee ‘paard’. Alle individuele paarden die in de zintuiglijke wereld voorkomen zijn in feite schaduwen (positive-ringen) van dat ene in de onzichtbare wereld van de ideeën voorkomende idee paard. Dat geldt voor alle dingen die in de zintuiglijk waarneembare wereld voorkomen.
Je kunt het weergeven in het onderstaande schema:

de wereld van de ideeën de wereld van de verschijnselen
het transcendente (bovenzintuiglijke) het immanente (zintuiglijk waarneembare)
kennis door herinneren (schouwen) kennis door empirisch, logisch onderzoek
God de mens, de zichtbare schepping
bovenrationeel rationeel
het ene idee ‘paard’ de vele werkelijke paarden als uitdrukkingen van de ene idee

Menselijke rationaliteit, in de zin van logica etc, en taal horen, in deze denkwijze, exclusief bij het immanente, bij de schepping. Het transcendente, het bovenzintuiglijke dat bovenrationeel is kan daarom, volgens de mystici, nooit werkelijk in menselijke taal worden gevat. Menselijke taal en menselijke woorden (concepten) zijn, zo stelt men, ontoereikend om God, mee weer te geven. De godservaring is in diepste wezen onuitsprekelijk. Echte kennis (van God) is boven-rationeel, boventalig. Er zijn authentieke Godservaringen maar elke poging om die in woorden te vatten zijn gedoemd om te mislukken omdat die ervaring elke menselijke begripsvorming overstijgt.
Het barthianisme (de neo-orthodoxie) is een variant van de mystiek in de vorm van religieus existentialisme.
Vele van de neo-evangelicals, waaronder Ouweneel, delen de visie van Barth op religieuze taal.
Ook Ouweneel is van mening dat werkelijke kennis van God boventalig, dat wil zeggen bovenrationeel en bovenconceptueel, is. Hij heeft dus het platoonse, aan alle mystiek ten grondslag liggende, schema overgenomen en ook de mystieke visie op taal. Dat hij dit doet kan ook moeilijk anders omdat hij het uitgangspunt van Barth heeft aangenomen want ook hij verwerpt de analogia entis.
Vanuit het platoonse schema van Barth en Ouweneel wordt gesteld dat kennis van de transcendente werkelijkheid (van God) bovenrationeel is terwijl rationeel geformuleerde kennis hoogstens een onzuivere schaduw van de echte werkelijkheid kan geven aangezien met menselijk begrippen de echte werkelijkheid niet te beschrijven is.
Dit schema is volkomen in strijd met het zelfgetuigenis van de bijbel. De bijbel claimt wel degelijk allerlei ware informatie over God (en over het transcendente in het algemeen) door te geven. Via het proces van inspiratie en het nog steeds doorgaande werk van de verlichting door Gods Geest communiceert God levensveranderende kennis naar ons toe via de menselijke woorden van de bijbel. De bijbel claimt nergens dat ze volledige kennis van b.v. God doorgeeft maar de gedeeltelijke kennis die de bijbel (over God en andere onderwerpen) doorgeeft is wel ware kennis, in de zin van overeenkomend met de werkelijkheid. Menselijke taal is wel adequaat om ware informatie (om propositional truth) over het transcendente (over God) door te geven.
Ouweneel raakt in zijn artikel in de gedenkbundel van de ETF de vraag aan of God onder of boven de rationele orde staat. Deze vraagstelling is net zo’n schijndilemma als de oude vraag “staat God Zelf onder de morele wet of niet”. Dat was de vraag waar b.v. Karl Barth en Willem van Ockham zich mee bezig hebben gehouden. Het antwoord op dit dilemma is dat God noch onder noch boven de morele wet staat. Gods onveranderlijke karakter zelf is de morele grondwet van het universum. Elke andere (morele) wet is daar een uitwerking van. Hetzelfde geldt voor de vraag of God onder of boven de rationele orde van de kosmos staat. God staat niet onder noch boven deze rationele orde. De rationele orde van de kosmos is een weerspiegeling van de eigen rationaliteit van God. God openbaart zich in de bijbel als een rationeel “wezen”. God en de mens zijn rationeel dat wil zeggen ze denken na, ze redeneren, ze argumenteren, ze gaan rationeel (met overleg, doelgericht) te werk, enzovoorts. En dat denken verloopt via dezelfde principes. De mens spreekt en God spreekt. Beiden zijn talige wezens. (God sprak niet alleen tegen andere schepselen maar ook in Zichzelf. “laat ons mensen maken”.)
Omdat Barth de analogia entis tussen God en mens ontkent wordt God “der ganz Andere”. Aangezien Ouweneel Barth schijnt te volgen in zijn verwerping van de analogia entis verdwijnt ook de God van Ouweneel in het onbekende: in het “niet onder woorden te brengen” bovenrationele. Kennis van God, dat is religieuze kennis, is immers volgens Ouweneel boven-rationeel en boven-conceptueel. Wat zegt Ouweneel hier eigenlijk mee? Kennis van God kan volgens hem niet in rationele concepten (in begrippen, in taal, in menselijke woorden) gevangen worden. Menselijke taal is niet geschikt om werkelijke kennis over God mee te delen. Zijn visie op taal is mystiek. De bijbel zegt, in die visie, wel iets over God maar dat is niet de echte kennis van God. De bijbel zegt iets over God in menselijke taal, in rationele concepten (woorden, begrippen). De echte kennis van God is bovenrationeel. De bijbel geeft slechts een gebrekkige (omdat de taal te kort schiet) immanente positivering van de transcendente werkelijkheid, van God.

Een meer dan tweeduizend jaar oud debat

Ouweneel heeft zich gemengd in het meer dan twee duizend jaar oude debat (het begon met Philo) over de juiste betekenis en interpretatie van de antropomorfismen in de Bijbel. Het mensvormig spreken over God: De hand van God, de ogen van God, het hart van God. Allerlei emoties zoals berouw, smart, toorn, ontferming. God als vader. God die zelfbewust is, die denkt (redeneert), die een wil heeft, die gevoelens heeft. Is God werkelijk zo of is hier sprake van accommodatie. Is God werkelijk zo of doet Hij alleen maar alsof Hij zo is om ons tegemoet te komen op ons niveau. (B.v. doet Hij alleen maar of hij rationeel is terwijl Hij in feite, in werkelijkheid, bovenrationeel is). God zoals hij werkelijk is komt dan niet overeen met God zoals hij zich in de bijbel op antropomorfe wijze heeft bekend gemaakt. Als je de gedachte van accommodatie aanvaardt dan kom je terecht bij de vraag naar het wezen van God. Als God dan in de bijbel zijn wezen (geheel of gedeeltelijk) verbergt achter accommodatie hoe vinden we dan de echte kennis van Gods wezen (de kennis van hoe God werkelijk – wezenlijk – is). Men heeft getracht te onderscheiden tussen wezen en accommodatie. Langs andere weg heeft men dit probleem (hoe komen we aan de echte kennis van God) ook “opgelost”. Dat is de oplossing van de mystiek: Al kunnen we God dan niet via rationeel interpreteren (verstaan) van de bijbel leren kennen gelukkig kunnen we Hem wel bovenrationeel leren kennen in de persoonlijke bovenrationele en bovenconceptuele ontmoeting. Het bijbelse antwoord op deze redeneringen is dat God in de bijbel niet alleen antropomorf over Zichzelf spreekt maar dat Hij ook antropomorf IS maar wel op de analoge wijze zoals hierboven is beschreven.

Slotconclusie over religieuze taal

Wie de op de bijbel gegronde basisgedachte van de analogia entis verwerpt komt terecht in het mystieke platonisme. Dat zien we geïllustreerd in Ouweneel. En dat alles omdat hij de oude evangelische Schriftvisie (vanwege een zeer aanvechtbare filosofische analyse) heeft losgelaten.
Het modernisme zegt dat je met taal (met talige beweringen) de werkelijkheid kunt omschrijven zoals die is. Het postmodernisme zegt dat de taal daar te tweeslachtig voor is.
Het is duidelijk dat opnieuw het modernistische standpunt over taal, namelijk dat je met taal ware dingen (proposities) over de schepping en over God kan zeggen, in grote lijn overeenkomt met het bijbelse standpunt.

Nogmaals taal

Zowel in de beeldtheorie over taal als in de beschouwing van taal als taalspel zit een gedeelte van de waarheid. Taal heeft ook veel meer functies dan het overdragen van informatie. Mede op grond van de bijbel weten we dat taal naar de werkelijkheid verwijst en dat taal geschikt is voor het overbrengen van ware informatie. Het postmoderne standpunt ten aanzien van de mogelijkheden van taal klopt niet.

Kennis

De door God geschapen werkelijkheid kunnen we gedeeltelijk kennen omdat zowel de mens met zijn zintuigen en verstand als de rest van de schepping door God zijn gemaakt en op elkaar afgestemd.
Ons kennen is wel ten dele maar de gedeeltelijke kennis die we hebben is wel ware kennis.
God kennen betekent dat we allerlei dingen van Hem weten maar het is meer dan dat. We kennen hem ook door Zijn omgang met ons. We kennen hem door persoonlijke openbaring. We kennen God als Vader omdat hij zichzelf zo in de bijbel heeft geopenbaard. Hij wordt vader genoemd, hij gedraagt zich als vader. Als we de bijbel lezen, en de Geest verlicht ons verstand, dan krijgen we daardoor steeds diepere kennis van God als Vader. We kennen hem ook als vader omdat we in gemeenschap met Hem leven door de Heilige Geest. We hebben de Geest van het zoonschap die in ons roept: Abba Vader. Ons hart gaat uit naar God. We kennen God ook als Vader vanwege zijn vaderlijke bemoeienis met ons persoonlijk. Zijn vaderlijke zorg in concrete situaties, zijn vaderlijke correctie als hij ons op de vingers tikt, zijn vaderlijke troost in verdriet.

Apologetiek

De bijbelse apologetiek moet antwoord geven op de vraag: Hoe weet je dat het waar is.
Dat is belangrijk omdat we voor ons zelf moeten kunnen verantwoorden waarom we geloven. We moeten ook tegenover een ander verantwoording kunnen afleggen van ons geloof. Apologetiek komt soms te pas bij evangelisatie.
Het traditionele reformatorische, evangelische antwoord op de vraag hoe we weten dat de bijbel werkelijk het woord van God is wordt gegeven in artikel V van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daar staat onder meer het volgende: “wij geloven … omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij (dat de boeken van de bijbel) van God zijn; dewijl zij ook het bewijs van dien bij zichzelve hebben: gemerkt dat blinden zelven tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden”
Volgens deze uitspraak rust de zekerheid dat de bijbel van God afkomstig is op het getuigenis van de Geest in onze harten en die zekerheid wordt bevestigd (er wordt zelfs het woord “bewijs” gebruikt) door het rationeel te controleren verschijnsel van de profetie. De Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt dus over twee overtuigende en getuigende zaken die elkaar aanvullen en versterken, bevestigen. Het innerlijk getuigenis en de bevestiging (het bewijs) door b.v. het feit van de vervulde profetie.
De geloofsbelijdenis handhaaft in dit artikel de bijbelse balans tussen innerlijk getuigenis en uiterlijke bevestiging.
De neo-evangelicals willen hier, in navolging van de neo-orthodoxie, op filosofische gronden niet van weten. De zekerheid rust bij hen volledig (uitsluitend) in het innerlijk getuigenis van Gods Geest.
De neo-evangelicals verwerpen daarmee wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt over het “bewijs van de vervulde profetie dat de schriften in zichzelf hebben”.
Profetie als bewijs!! Dat kan niet. Dat is volgens de Neo-evangelicals een duidelijk geval van sciëntisme. Want men gaat daarbij uit van de (volgens hen foutieve) naïeve overtuiging dat er objectieve gegevens zijn, te weten in dit geval de uitgesproken profetie en de vervulling daarvan. Gegevens die je kunt waarnemen en waaruit je langs verstandelijk weg (op rationele wijze) de dwingende conclusie kan en moet trekken dat de bijbel van God afkomstig is. Dat kan niet volgens de neo-evangelicals want dat is in strijd met hun filosofische overtuigingen. De geloofsbelijdenis maakt, zo volgt uit hun redenering, hier de scholastieke fout om de menselijke rede te verzelfstandigen (autonoom) te maken. Het is, volgens Ouweneel, sciëntistische overschatting van de mogelijkheden van de menselijke rede en het waarnemingsvermogen als je ter bewijs van de goddelijke oorsprong van de Schrift een beroep doet op de profetie.
De bijbel spreekt echter over: aanwijzen, zegel drukken, getuigen, bewijzen, bewijs. Het voornaamste woord is getuigenis (getuigenis geven). Dat wordt in bepaalde schriftgedeelten gebruikt in juridische zin. De bijbel zegt b.v. dat je met behulp van het getuigenis van twee of drie personen een zaak kan bewijzen (vast doen staan). In Johannes 5 vinden we een voorbeeld van bewijs via getuigenis. Jezus bewijst daar dat zijn claim, dat Hij van de Vader komt en dat God zijn Vader is, waar is door te wijzen op twee getuigen die zijn claim bevestigen. Als eerste getuige wijst hij op (wonder)werken die hij deed. Die getuigden er van dat Hij werkelijk door de Vader gezonden was. “de werken die Ik doe, getuigen van Mij” (Joh. 5:36). Ten tweede wees hij op de Schriften die van Hem getuigden (Joh. 5:39). Deze twee zaken vormden het “identiteitsbewijs” van Jezus. Daar wees Hij op. Daar bewees Hij mee dat Hij werkelijk de door God beloofde Messias was. De wonderwerken die Hij deed konden door niemand (ook niet door zijn vijanden) ontkend worden. Nicodemus trok de juiste conclusie uit die wonderwerken: “niemand kan zulke tekenen doen tenzij God met hem is.” (Johannes 3:2) In het totaal van de messiaanse profetieën uit het Oude Testament had God van tevoren een profielschets gegeven van de komende Messias. Jezus wees erop dat in zijn leven en werken die profielschets werd vervuld. Dit feit “bewees” dat Jezus werkelijk de Messias was. In feite combineerde Jezus het getuigenis van de Schrift (profetie) en het getuigenis van zijn wonderwerken want van de Messias was door de profeten aangekondigd dat deze wonderwerken zou doen. Toen Johannes de Dooper begon te twijfelen wees Jezus hem daarop. Je ziet toch dat in mijn leven, dat in mijn wonderwerken de messiaanse profetie wordt vervuld.
God heeft Jezus aangewezen door tekenen en wonderen (Hand 2:22). Zo heeft God zijn zegel op Jezus gezet (Johannes 6:27). De bijbel gebruikt zelfs het woord bewijs en bewijzen. De opstanding als bewijs (Hand. 17:31). Uit de schriften bewijzen dat Jezus de Christus is (Hand. 9:22 / 18:28).
Uit de bijbel blijkt dat God dit soort kwesties altijd op een zeer nuchtere wijze benaderde. De Israëlieten stonden b.v. voor het probleem hoe ze konden onderkennen of een profeet werkelijk namens God sprak. Daar gaf God heel concreet (rationele) richtlijnen voor. “Wanneer gij nu bij uzelf mocht zeggen: Hoe onderkennen wij het woord dat de Here niet gesproken heeft? – als een profeet spreekt in de Naam des Heren en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de Here niet gesproken heeft.” (Deut 18:21,22). Ter aanvulling zie ook Deut 13:1,2.
In Koningen 18 (:20-46) wordt de vraag gesteld naar de ware God. Wie is de ware God? Jaweh of de Baals? Moesten de Israëlieten innerlijk, intuïtief, bovenrationeel aanvoelen wie de ware God was? Moest dat de grond zijn voor hun geloof in Jahweh als de ware en enige God? De God die antwoordt (met vuur) dat is de ware God. (1 Koningen 18:24) De God die zichzelf bewees die was de ware God. Op soortgelijke manieren heeft God zich altijd bewezen en zo bewijst God zichzelf nog steeds. Zo heeft God zich indertijd ook aan mij persoonlijk bewezen (geopenbaard, getoond) b.v. door mij vlak voor mijn bekering te redden uit de greep van boze geesten toen ik in opperste wanhoop de Naam van Jezus aan riep (“Help Jezus, Help Jezus” en Jezus hielp onmiddellijk).
God heeft zichzelf bewezen (geopenbaard, getoond) als de ware God door de vervulling van allerlei profetieën die Hij door zijn dienstknechten de profeten had doorgegeven.
Zie b.v. Jesaja 41:21-24.
“voert uw bewijsgronden aan”
“geef te kennen wat er in de toekomst komen zal opdat wij weten dat gij goden zijt
Dit was Gods uitdaging richting de afgodendienaars (richting de afgoden). God had zichzelf reeds bewezen als God door de vervulling van profetische voorzeggingen. God zegt hier: als jullie werkelijk goden zijn doe het dan ook maar eens. God schijnt hier de volgende redenering te volgen. Het kenmerk van een ware God is dat hij de toekomst kan voorzeggen. Ik heb aan dat kenmerk voldaan dus ik ben werkelijk God. Als jullie willen bewijzen dat jullie werkelijk goden zijn doe het dan ook maar eens.
Het geloof is geen niet-rationele sprong (het is zelfs geen bovenrationele sprong). Het is wel een sprong, maar dan een sprong (mede) op rationele gronden. Een mens maakt pas de sprong van het geloof nadat God hem mede langs rationele weg overtuigd heeft van de waarheid van het evangelie. Op allerlei wijzen kan God tot een mens laten doordringen dat het evangelie de waarheid is. Dat overtuigd worden hoeft niet altijd een bewust proces te zijn maar aan het tot geloof komen gaat het overtuigd worden van de waarheid vooraf. Ons geloof is gebaseerd op kracht van God (op persoonlijke openbaring). God die zich openbaart aan de individuele mens. God die overtuigt op allerlei wijzen. God die ons zijn aanwezigheid en kracht toont en doet voelen, ondervinden op allerlei manieren. Niet alleen door het innerlijk getuigenis van Gods Geest maar ook door het getuigenis dat uitgaat van b.v. veranderde levens of door het getuigenis dat uitgaat van de profetie of door een openbaring van Zijn kracht in bevrijding van boze geesten. Enzovoorts. Mede langs deze wegen (mede op rationele gronden) brengt God tot erkentenis van de waarheid. Natuurlijk is het niet genoeg om overtuigd te worden van de waarheid. Dat maakt iemand nog niet tot een kind van God. Na het overtuigd worden moet er een overgave aan Jezus volgen.
De neo-evangelicals vinden dus artikel V van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een duidelijk voorbeeld van verwerpelijk modernisme, van scholastiek denken. Veel van de huidige reformatorische schrijvers weten blijkbaar niet goed raad met dit artikel want bij hun uitleg negeren ze de zinsnede “als bewijs daarvan”.
In de bijbel wordt wel degelijk, ook tegen ongelovigen, een beroep op feiten gedaan (dingen die men door waarneming zelf kan vaststellen) en op logica (uit die feiten worden conclusies getrokken).
Dit is zo wat de zwaarste filosofische zonde die je volgens neo-evangelicals als Ouweneel kan maken. Ze noemen dat een beroep doen op neutrale rationaliteit in de apologetiek. En ze vinden dat het overtuigende bewijs dat je zwaar bent beïnvloed door het verwerpelijke Verlichtingsdenken.
De neo-evangelicals zijn aanhangers van het zogenaamde ‘fideisme’. Op de vraag: “Hoe weet je dat het waar is?” antwoorden zij met: “Je moet het geloven”. Op de vraag: “Waarom moet ik geloven?” antwoorden zij met: “Daar kan ik je geen argumenten voor geven maar misschien kan de Geest je overtuigen”. “Luister eens naar het verhaal, de narratio, en wellicht springt de vonk dan bovenrationeel over”. Zij zijn er van overtuigd dat ze daarin bijbels zijn maar dat is niet zo. Het is een halve waarheid.

POSTMODERNISME, MODERNISME EN DE VISIE OP HET DOGMA

Het modernisme en het postmodernisme hebben een samenhangende visie op de werkelijkheid, op waarheid, op kennis, op taal, op rationaliteit.
Hierboven hebben we gezien dat bij toetsing aan de bijbel de standpunten van het modernisme op de bovengenoemde zaken in het algemeen dichter bij de bijbel staan. De bijbelse begrippen zijn vaak wat ruimer dan de invulling die de modernisten daar aan geven. De visie van het postmodernisme op die zaken staat over het algemeen lijnrecht tegenover het bijbelse getuigenis.
Wat blijft staan is natuurlijk dat het autonomie uitgangspunt van beiden verwerpelijk is en dat geestelijke waarheid slechts geestelijk (met een door Gods Geest verlicht verstand en gemoed) kan worden begrepen.
De neo-evangelicals beweren dat de visie van de traditionele evangelicals en reformatorische christenen op waarheid, rationaliteit, kennis, taal, enzovoorts, sterk beïnvloed is door de filosofie van de Verlichting, door het modernisme. Dit klopt niet. Er is wel een parallel te zien tussen veel bijbelse standpunten en overtuigingen van de Verlichting. De standpunten van de traditionele evangelicals zijn niet gebaseerd op het Verlichtingsdenken maar op het bijbelse getuigenis.
De traditionele evangelicals op hun beurt beweren dat de standpunten van de neo-evangelicals niet zozeer op de bijbel maar veeleer op allerlei postmoderne gedachten zijn gebouwd. Zoals uit de bovenstaande toetsing is gebleken klopt dit. Omdat veel van de vooronderstellingen van de neo-evangelicals in strijd zijn met het bijbelse getuigenis zien we ernstige ontsporingen bij hen.

EIGENLIJK IS EEN GRONDIGER BESPREKING VAN DIT ONDERWERP NODIG

De stof die in deze appendix is aangeroerd is eigenlijk te complex voor zo’n korte behandeling. Wellicht is niet alles helder en sommige dingen moeten eigenlijk uitgebreider uitgelegd en beargumenteerd, bewezen worden. Dat is echter in het kader van deze studie niet mogelijk.
In mijn studie “De invloed van postmodernisme, bathianisme en de Wijsbegeerte der Wetsidee op de theologische standpunten van W.J. Ouweneel” wordt dieper op deze zaken ingegaan.