In het licht wandelen anno 2012


Niet lang geleden was er een stroomuitval in onze straat. Het werd opeens pikkedonker. Wat een akelig gevoel was dat. We zijn dat niet meer gewoon. Je ziet dan niet veel van de omgeving of hoe de loop van straat is. Dan pas ga je eigenlijk goed beseffen hoe belangrijk licht is. Ik denk dat het daarom is dat de Bijbel heel vaak het beeld van licht en duisternis gebruikt.
Onze tekst komt uit een gedeelte waarin de apostel Paulus ons aanspoort om te wandelen als kinderen des licht. Eerst laat hij zien hoe we kinderen des licht kunnen worden. Namelijk door een verandering die de Bijbel bekering noemt. Daarom zegt hij “gij waart vroeger duisternis”. Toen we nog niets over God wisten of wilden weten, leefden we in de duisternis. We waren vervreemd aan het leven van God. Hoe het zo geworden is laat de apostel uitvoerig zien in het voorgaande hoofdstuk:

Dit zeg ik dan en getuig ervan in de Heere, dat u niet meer wandelt zoals de andere heidenen wandelen, in de zinloosheid van hun denken, verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven dat uit God is, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun hart. Zij hebben zich, ongevoelig als ze zijn geworden, overgegeven aan losbandigheid, om alle onreinheid begerig te bedrijven (Efeze 4:17-19)

Ook in zijn brief aan Rome:

Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar zij zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd.(Romeinen 1:21)
Maar toen we Jezus leerden kennen en ons vertrouwen op Hem hebben gesteld, is het grote wonder gebeurd, namelijk de overgang van duisternis naar het licht, want God is licht. En nu spoort de apostel Paulus ons aan om te wandelen als kinderen des licht. Paulus laat ook uitvoerig zien wat dit inhoudt. Het is het tegenovergestelde van vroeger. “Gij geheel anders”. We hebben nu God leren kennen en zijn in Hem onderwezen. Hier zien we het belang van gedegen Bijbels onderwijs. Onderwijs dat ons denken transformeert en verjongt.
Een nieuwe mens die in ware gerechtigheid en heiligheid leeft.

Daarom worden we aangespoord om de leugen, hoererij, allerlei onreinheid, hebzucht en andere laakbare praktijken af te leggen. Deze dingen horen niet bij een mens die in het licht wandelt.
Aan de andere kant laat hij zien hoe we in het licht moeten wandelen. Vooraan staat dat we navolgers Gods moeten zijn door in liefde te wandelen. God heeft de wereld lief en heeft dit getoond door Jezus Christus, Zijn eigen Zoon te geven. Een enorm offer. Jezus is de redding van deze wereld. Hij is de hoop van onze zaligheid. Deze liefde en offervaardigheid mogen ook voor ons als Gods geliefde kinderen, typerend zijn. Dit wordt ook zichtbaar in goedheid (louter goedheid), gerechtigheid en waarheid. Dat is de vrucht des licht. Het is dat, wat het licht van God dat in ons hart is gekomen, veroorzaakt. Het zal zich niet onbetuigd laten. Anders klopt er iets niet.

Naast het afleggen van de werken des duisternis, worden we gewaarschuwd voor misleiding. Namelijk via allerlei drogredenen, bedrieglijke redeneringen. En er zijn er heel wat in deze dagen. Iemand had het over een ‘christen’ professor die niet vies is van verbaal geweld of die als een gewiekste redenaar voortdurend gebruik maakt van drogreden (Argumentum ad baculum, Latijn voor: “argument van de stok”, is een drogreden waarbij de tegenpartij onder druk wordt gezet door zinspeling op de negatieve gevolgen als de spreker zijn zin niet krijgt) (1).
Francis Schaeffer heeft hier heel lang geleden over geschreven: “Deze theologen hebben zich van elk begrip van in woorden uitgedrukte openbaring in de Bijbel afgewend. Ze blijven ‘boven’ (‘sprong’-theologie) en hun woorden hebben nu alleen maar bijbetekenis, geen echte inhoud. Voor hen is elk begrip van een persoonlijke God afwezig, alle inhoud van het woord van ‘God’ is weg. Ze hebben alle categorie├źn van absoluut goed of kwaad van zich geschud en zijn vervallen tot een situatie-ethiek. Dat is alles. Als je naar een moderne (lees: hedendaagse, postmoderne) theoloog luistert, hoor je dat hij alleen zegt wat iedereen om hem heen zegt, maar hij gebruikt theologische termen. Daar vinden we geen hulp.” (2)

Dat is precies wat we ervaren als we lezen in de vele nieuwsbrieven van christelijke instellingen, die allemaal heel geestelijk en Bijbels klinken. Maar kijken we naar wat er werkelijk door deze instellingen gepraktiseerd wordt, dan rijzen je de haren ten berge. Men wil de niets vermoedende en goedgelovige christen tevreden stellen met geestelijk schoonklinkende woorden, terwijl men rustig doorgaat met het verspreiden van een dodelijk vergif. Daarom zegt Paulus (v6) dat hierover Gods toorn komt en dat we niet met hen mogen mee doen. De apostel gaat nog een stap verder.
We mogen niet deelnemen aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar we moeten ze zelfs ontmaskeren. Aan de kaak stellen. Wat een opdracht! Ja, in een tijd waarin men je voor het minste beticht van ‘oordelen’of ‘stigmatiseren’. De Heer geeft ons een duidelijke opdracht, hoe moeilijk het ook is. Maar Hij wil dat we ons bewust zijn van de listen van de tegenstander. Tot bescherming van onszelf en ook van onze medegelovigen. Ontmaskeren moet, omdat ‘in het verborgene’ en ‘ondergedoken’ het typische karakter is van zulke werken.
Ze heten daarom ook niet voor niets ‘werken der duisternis’. Het is dus geen nieuwe uitvinding. Al in Paulus’ tijd was het de gewoonte van de valse leraren om ‘onder de radar door te vliegen’ of onopgemerkt bepaalde valse leer en praktijk binnen te smokkelen zonder dat het opviel.
Ontkennen, naamsveranderingen, Bijbelse termen met een zelfverzonnen betekenis. Dit zijn allemaal praktijken die we vandaag tegenkomen in onze christelijke middens. Men heeft het van de New Age geleerd en met succes.
Daarentegen is goedheid, gerechtigheid en waarheid de vrucht van het licht. God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Laten we navolgers van God zijn als Zijn geliefde kinderen.

Stoky

(1) Bron, geraadpleegd juni 2012.
(2) Francis Schaeffer, “De kerk tegen het einde van de 20ste eeuw”, pag.26, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 1978.